Ga naar hoofdinhoud

Toegang voor Copilot Studio-makers is ook een beveiligingsbeslissing

· 5 minuten leestijd
Dwayne Selsig
Microsoft Certified Azure Solutions Architect | Microsoft 365 en Onderwijs

Iemand toegang geven tot Microsoft Copilot Studio kan op een licentie- of adoptiebeslissing lijken. Er wordt een licentie toegewezen, de maker krijgt toegang tot een omgeving en het experimenteren begint.

Maar er gebeurt nu nog iets.

Sinds juli 2026 krijgt iedere nieuwe Copilot Studio-agent automatisch een Microsoft Entra Agent ID. Microsoft beschrijft deze identiteit als een service-principal met het subtype Agent. Copilot Studio maakt en beheert de identiteit en de bijbehorende referenties.

Daarmee gaat makerstoegang over meer dan de vraag wie een chatbot mag bouwen. De organisatie staat mensen toe agents te maken die zichtbare identiteits- en lifecycleobjecten in de toegangsarchitectuur worden.

Toegang gaat verder dan het gesprek

Microsoft Security adviseert om agents te inventariseren, duidelijk eigenaarschap toe te wijzen, hun toegang te beheren en consistente beveiligingsnormen op menselijke identiteiten en agentidentiteiten toe te passen.

Dat advies wordt concreet in Copilot Studio. Een agent kan kennisbronnen, connectors, acties, HTTP-aanvragen, triggers en externe diensten gebruiken. Het gesprek is één beveiligingsgrens. De identiteiten, informatie en acties erachter maken aanvullende grenzen.

Het diagram is bewust geen rechte machtigingsketen. De Agent ID verbetert de zichtbaarheid van identiteit en connectors, terwijl Copilot Studio, Power Platform-beleid, verbindingen en gebruikersmachtigingen nog steeds bepalen wat er tijdens de uitvoering gebeurt.

Een agentidentiteit geeft zichtbaarheid, geen veiligheid

Copilot Studio maakt en beheert de Agent ID voor nieuwe agents automatisch. Een maker ontvangt geen herbruikbaar clientgeheim of onbeperkt inzetbare service-principal.

Wanneer de agent wordt gepubliceerd, voegt Copilot Studio API-machtigingsbereiken (permission scopes) toe voor ondersteunde Power Platform-connectors die voor de agent zijn geconfigureerd. Dit zijn connectorscopes en geen rechtstreekse resourcemachtigingen zoals Mail.Read of Files.Read.All. Beheerders krijgen zicht op verificatieactiviteiten en geconfigureerde connectortoegang. De runtime van Power Platform-connectors controleert ondertussen nog steeds het toepasselijke connector- en gegevensbeleid.

Dit is nuttig, maar het is geen volledige inventaris van alles wat de agent kan bereiken. Aangepaste connectors, MCP-servers en REST API-tools voegen niet dezelfde API-machtigingen aan de Agent ID toe. Zichtbaarheid in Entra hoort de beoordeling in Copilot Studio en Power Platform daarom te ondersteunen en niet te vervangen.

De licentie is niet de beveiligingsgrens

Copilot Studio-licenties maken een omgeving niet automatisch onveilig. De fout is om licentietoewijzing als het volledige besluit te behandelen.

Een maker kan een agent maken. Die agent krijgt een identiteit. De maker kan deze daarna verbinden met informatie en mogelijkheden binnen het beleid en de machtigingen die de organisatie toestaat.

Dat zijn aparte beslissingen:

  • wie agents mag bouwen;
  • waar makers dat mogen doen;
  • welke kennisbronnen, connectors, acties, HTTP-eindpunten en triggers zijn toegestaan;
  • wie een agent mag publiceren en voor welke doelgroep;
  • wie na publicatie eigenaar is en ondersteuning levert;
  • hoe wijzigingen worden beoordeeld;
  • wanneer de agent en zijn afhankelijkheden worden beëindigd.

Als deze beslissingen niet zijn genomen, laat brede makerstoegang de governance agent voor agent ontstaan.

Agent Builder is anders

Het woord agent verwijst niet in alle Microsoft-producten naar hetzelfde identiteitsmodel.

Op dit moment hebben agents die met Microsoft 365 Copilot Agent Builder zijn gemaakt geen app-registratie-id of Microsoft Entra Agent ID nodig. Volledige Copilot Studio-agents hebben die wel. Daarmee verdwijnt governance niet uit Agent Builder. Het zwaartepunt ligt daar op toegang tot kennis, delen, vindbaarheid en eigenaarschap.

Copilot Studio voegt omgevingen, connectors, acties, triggers, publicatiekanalen, agentidentiteiten en een aparte operationele levenscyclus toe. Het beleid hoort daarom bij de ingeschakelde mogelijkheden te passen en niet iedere agent als hetzelfde object te behandelen.

Stel vóór een brede uitrol grenzen in

Mijn voorkeur gaat uit naar een beheerde makergroep in plaats van onbeperkte organisatiebrede makerstoegang. Geef makers een geschikte ontwikkelomgeving, pas data policies toe voordat zij publiceren en vereis een beoordeling voordat een agent een productiedoelgroep bereikt.

Die beoordeling hoort vast te stellen wie de agent beheert, wat deze mag gebruiken, wie de agent kan gebruiken, hoe toegang wordt bewaakt en wat er gebeurt wanneer de eigenaar of het doel verandert. Dit voorkomt experimenten niet. Het houdt experimenten binnen grenzen die iemand bewust heeft gekozen en kan onderhouden.

De praktische uitwerking staat in Beheer Copilot Studio-agents voordat je makers toegang geeft.

De belangrijke vraag is niet meer alleen of een gebruiker AI mag gebruiken. De vraag is ook:

Welke identiteiten, toegangsroutes en acties staan we deze gebruiker toe te maken?

Officiële Microsoft-documentatie